donderdag 15 april 2010

Prachtige Rode Zonsondergang

Dankzij de vulkaanuitbarsting in IJsland was er vanavond een prachtige rode zonsondergang.


Meer foto's die ik heb gemaakt van de zonsondergang kun je hier zien:
http://picasaweb.google.com/mike.geubel/RodeZonsondergang2010#

woensdag 14 april 2010

Waardoor overleed 90% van de Midden-Amerikaanse Indianen na de Spaanse verovering in 1519?

Het leven van de indianen veranderde dramatisch toen Spanjaarden in 1519 voet aan land zetten in Midden-Amerika en het in een korte tijd veroverden. Voorheen had iedere familie een eigen huis met een stukje grond en waarop ze eigen gewassen verbouwden, maar na de Spaanse verovering werden ze onderworpen als slaven. De Spanjaarden gaven de indianen slechte voeding, slechte kleding en lieten ze zware arbeid verrichten op boerderijen en in mijnen. Ook moesten ze in kleine smerige ruimten bij elkaar wonen. Door deze harde behandeling waren ze bijzonder kwetsbaar voor epidemieën, waar ook nog eens extreme weersomstandigheden bijkwamen.

Rond 1590 was nog maar 10% procent van de oorspronkelijke bevolking over. Lange tijd dachten geleerden dat bijna alle indianen overleden door westerse virussen en “moderne” wapens.

De eerste epidemie tussen 1519 en 1521 kwam door de pokken, hier zijn de meeste geleerden het over eens. De indianen waren niet tegen deze nieuwe ziekte bestand, en in drie jaar tijd overleden er tussen 5 miljoen en 8 miljoen indianen. Hierna volgende nog twee epidemieën: in 1545 overleden tussen 7 en 17 miljoen indianen, tot 80% van de bevolking, en in 1576 nog eens 2 miljoen, de helft van de toen nog overgebleven bevolking.

Waarom overleden er zoveel indianen en zo weinig Spanjaarden?
De indianen hadden heel veel kennis over het menselijk lichaam. Ook beschikten ze over veel medische kennis en genazen ze Spanjaarden. De indianen hadden een weinig genetische diversiteit; de Spanjaarden hadden meer genetische diversiteit. Maar toch was er een groep Spanjaarden die wel overleed aan het virus: de priesters. Priesters werkten nauw samen met de indianen.

Cocoliztli was een snelle en zeer dodelijke ziekte. Francisco Hernandez, de lijfarts van koning Filips II van Spanje en destijds één van de meest gekwalificeerde artsen, was getuige van de epidemie in 1576. Hij beschreef de symptomen met klinische nauwkeurigheid: hoge koorts, ernstige hoofdpijn, duizeligheid, een zwarte tong, donkere urine, dysenterie, ernstige buikpijn en pijn op de borst, grote knobbeltjes achter de oren, die vaak doorliepen tot in de hals of in het gezicht, acute neurologische aandoeningen, en overvloedige bloedingen uit de neus, ogen en mond. Patiënten overleden meestal binnen drie tot vier dagen. Deze symptomen kwamen niet overeen met Europese of Afrikaanse ziekten die in de 16e eeuw in Mexico voorkwamen.

Lange tijd dacht men dat de enorme sterfte kwam door de nieuwe virussen die de Europeanen meebrachten, zoals pokken, mazelen en tyfus. Maar uit een nieuwe analyse van beide epidemieën blijkt nu dat het waarschijnlijk geen Europese ziekten waren, maar een inheems virus. Knaagdieren waren de dragers van het virus en door extreme omstandigheden werd het overgedragen op de mens.

De geografie van beide cocoliztli epidemieën ondersteunt het vermoeden dat het inheemse virussen waren, die door knaagdieren, of andere dieren die van nature in het hoogland van Mexico leefden, werden overgedragen. In 1545 werden de noordelijke en centrale hoogvlakten van Mexico door de epidemie getroffen en eindigde in Chiapas en in Guatemala. In 1545 en in 1576 werden de mensen die in de warme laaggelegen kustgebieden aan de Golf van Mexico en langs de Grote Oceaan woonden niet door de epidemieën getroffen. De geografische spreiding van de ziekte komt dus niet overeen met de invoering van een westers virus naar Mexico, want dan zouden ook de mensen aan de kust getroffen moeten zijn.

In Chapultepec Park, in Mexico Stad, staan bomen die 800 jaar oud zijn. De boomringen laten zien dat er in de 16e eeuw een megadroogte was, dit was de ernstigste en langst aanhoudende droogte in het noorden van Mexico van de afgelopen 600 jaar. Uit de ringen blijkt ook dat de heftige cocoliztli epidemieën van 1545 en 1576 ontstonden na een korte zeer natte periode, tijdens deze lange droogte. Dit patroon van droogte gevolgd door hevige regenval komt overeen met de hantavirus uitbraak in 1993. Toen was er na een lange droge periode ook overvloedige regenval, waardoor de lokale hertmuis populatie enorm toenam en er in New-Mexico door het hantavirus 53 mensen stierven.

De natte weersomstandigheden in 1545 en 1576 leidde tot een wildgroei aan knaagdieren, doordat er meer voedsel was. Het virus werd door de knaagdieren mede door de slechte leefomstandigheden overgedragen op mensen met een megasterfte als gevolg.

De ziekte die dokter Hernandez in 1576 beschrijft, is moeilijk aan een bekende ziekte te verbinden. Aspecten van de cocoliztli epidemie suggereren dat een inheemse bron verantwoordelijk was voor het virus, regengevoelige knaagdieren. Veel symptomen komen overeen met infecties van het arenavirus, afkomstig van knaagdieren uit Zuid-Amerika, maar dit virus is nog niet in Mexico vastgesteld.
Hantavirus is een minder waarschijnlijke oorzaak voor cocoliztli, omdat ernstige hantavirus hemorragische ziekten met hoge sterftecijfers onbekend zijn in de Nieuwe Wereld.
De virale oorzaak voor cocoliztli moet nog worden geïdentificeerd, maar een aantal nieuwe arena- en hantavirussen zijn onlangs in de Amerika’s geïsoleerd en misschien worden er nog meer ontdekt. Als het niet is uitgestorven, dan kan het micro-organisme dat cocoliztli veroorzaakte verborgen blijven in de hooglanden van Mexico, en onder gunstige weersomstandigheden weer tevoorschijn komen.


Bronnen:



maandag 12 april 2010

Geologe ontdekt een klimaatpatroon van 100.000 jaar

Door sedimenten van de afgelopen 1,2 miljoen jaar te onderzoeken, ontdekte geologe Lorraine Lisiecki een patroon die de veranderingen in de baan van de aarde verbinden aan klimaatsveranderingen. Deze ontdekking is deze week gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Geoscience.

Achtergrond: de baan van de aarde om de zon verandert iedere 100.000 jaar van vorm: de baan wordt dan of ronder of elliptischer. Deze vorm van de baan om de zon staat bekend als "excentriciteit."
De schuine stand van de aardas varieert tussen 22,1 en 24,5 graden en weer terug, deze cyclus duurt  41.000 jaar. Momenteel is de aardas 23,44 graden gekanteld ten opzichte van haar baanvlak.
De derde grote variatie, precessie, is de richting van de omwentelingsas relatief aan de “vaste” sterren. Dit kun je vergelijken met het wiebelen van een tol, deze cyclus duurt ongeveer 26.000 jaar.
Deze drie cyclussen hebben allemaal invloed op de hoeveelheid zonlicht dat de aarde ontvangt.

Het belangrijke punt van Lisiecki haar onderzoek is dat ze hard bewijs heeft gevonden dat deze drie cyclussen verbindt aan de globale temperatuur. Ze onderzocht kernen van sedimenten uit  oceaanbodemen van 57 locaties over de gehele wereld. Door sedimenten te analyseren kunnen wetenschappers het klimaat tot miljoenen jaren terug in kaart brengen.

IJstijden komen op Aarde iedere 100.000 jaar voor. Lisiecki heeft nu ontdekt dat   klimaatsveranderingen samenvielen met een verandering van de excentriciteit (de vorm van de baan van de Aarde om de zon). "Het duidelijke verband tussen de klimaatsveranderingen en de verandering van de baan om de zon is een sterk bewijs dat er een verband is tussen deze twee”,  zei Lisiecki. "Het is onwaarschijnlijk dat deze gebeurtenissen geen verband met elkaar hebben."

Lisiecki ontdekte verder dat de grootste glaciale cyclussen gebeurden tijdens de zwakste veranderingen in excentriciteit (de vorm van de baan van de Aarde om de zon) en omgekeerd. Sterkere veranderingen in de baan van de aarde kwamen overeen met zwakkere klimaatsveranderingen.

Maar blijkbaar is haar ontdekking niet zo nieuw. Een grafiek die jaren geleden is gepubliceerd (zie rechts) laat zien hoe de verschillende cyclussen moduleren, net als het versterken en opheffen van golven. Dit plaatje komt perfect overeen met de ijstijden.

Nu zou het mooi zijn als we zouden weten wanneer deze drie cyclussen beginnen en eindigen. Aan het einde van de laatste ijstijd, ongeveer 14.000 jaar geleden, waren er veel dieren in Noord-Amerika. In Arizona waren er drie soorten mammoeten, mastodonten (zie foto hierboven), kamelen, paarden, grote beren, grote sabeltandtijgers en een beest dat de glyptodont wordt genoemd, dit was een heel groot gordeldier. Al deze grote dieren verdwenen tussen 12.000 en 10.000 jaar geleden en er zijn veel theorieën over hun verdwijning. Er wordt gezegd dat de Clovis-mensen op mammoeten jaagden, waardoor ze uitstierven, of doordat ze ziekten meebrachten. Misschien kwam het door de klimaatsveranderingen.

Aan het einde van de IJstijd warmde de aarde op, tot ongeveer wat het nu is. Maar er was een koude dip, een periode die de Jonge Dryas wordt genoemd. Ongeveer 12.900 jaar geleden daalden de temperaturen binnen een paar decennia enorm, opnieuw tot het niveau van een IJstijd. Deze koude dip duurde ongeveer 1.000 jaar en werd gevolgd door een abrupte opwarming. Op sommige plaatsen wordt het begin van de Jonge Dryas gemarkeerd door  een dun laagje roet. Er zijn overblijfselen van uitgestorven diersoorten en Clovis-mensen onder deze roetlaag, maar ontbreken in de lagen erboven. Er wordt gespeculeerd dat er een komeet explodeerde boven Amerika en het gehele continent in brand zette. De klimaatverandering die hierdoor ontstond, veroorzaakte de ondergang van de vele diersoorten. Onderzoekers van de UofA zeggen dat de roetlaag komt door algenbloei van een vochtige bodem, maar geen roet van een brand. Uiteindelijk kunnen de UofA onderzoekers een kosmische gebeurtenis niet uitsluiten, maar ze zeggen dat het zeer onwaarschijnlijk is. Het persbericht kun je hier lezen: http://uanews.org/node/31096.

Ander onderzoek toont aan dat de achteruitgang van de grote zoogdieren al begon vóór de Jonge Dryas periode. Er wordt veel gespeculeerd, maar de reden weten we dus nog steeds niet.

Het einde van de laatste Grote IJstijd, ongeveer 14.000 jaar geleden, is volgens de grafiek hierboven het einde van een 100.000 jaar durende periode en daarna zijn we aan een warme periode begonnen. Vandaar ook dat we momenteel nog steeds een stijging van de globale temperaturen ervaren. Aan de grafiek te zien, zitten we binnenkort op de piek en zullen daarna de temperaturen weer geleidelijk  gaan dalen.


Bronnen:



maandag 5 april 2010

Sam Osmanagich, ontdekker van de Bosnische Piramides

Sam Osmanagich, vertelt over 5 piramides in Bosnië, die meer dan 30.000 jaar oud zijn!!

vrijdag 2 april 2010

De Stenen Bollen van Costa Rica

In Costa Rica liggen vele vreemde stenen bollen, er zijn er tot dusver meer dan 300 gevonden. De bollen variëren in grootte van een paar centimeter tot een diameter van 2,5 meter heeft. De bollen zijn gemaakt van een vulkanisch gesteente genaamd gabbro, en de grootste bol weegt 14 ton. Een paar bevatten rotstekeningen en de meesten zijn bijna perfect bolvormig. Hun doel blijft een mysterie...


BBC News heeft een mooi slideshow van de bollen: http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/8593717.stm

donderdag 1 april 2010