donderdag 21 juni 2012

Waar komen we vandaan?


Het verhaal hieronder heb ik vanuit het Engels vertaald vanuit het mooie boek “The Bowl of Light, Ancestral Wisom from a Hawaiian Shaman” dat geschreven is door Hank Wesselman. De spirituele kennis in het boek werd hem door de Hawaiiaanse sjamaan Hale Kealohalani Makua toevertrouwd.

Tijdens een diner met de leider (Makua) bij een prachtig open buffet in een groot hotel, bracht ik het Hawaiiaanse concept van ‘Haloa’ naar voren – het onsterfelijke vuur dat je voedt met je adem. Volgens Polynesische overtuigingen ontvangt ieder van ons onze ‘Ha’, de goddelijke levensadem, van onze ‘Aumakua’, onze onsterfelijke Bovenziel, aan het begin van ons leven. Als we onze ‘Ha’ met onze laatste adem vrijlaten, aan het einde van ons leven, dan keert ons zielencluster (bestaande uit de lichaamsziel, de geestelijke ziel en het Bovenziel zaad) terug naar onze persoonlijke Aumakua Bron.

Hier volgen de woorden van Makua, bijna woord voor woord opgeschreven over zijn wonderlijke kennis, een verhaal dat je wel of niet letterlijk kunt nemen, maar een verslag dat eeuwige waarheden kan bevatten waar geen ontkomen aan is:

“De dolfijnen vertegenwoordigen Haloa, het goddelijke vuur en de levensadem. Het is een vuur, een actie, een intelligentie. De dolfijnen waren de eersten die van ‘A’A (de ster Sirius)  kwamen. Hun naam was Vava’u volgens de mensen van Bora-Bora. De laatsten die kwamen ware de walvissen Kohola – de archief bewaarders”, begon Makua.


De leider keek me overwegend aan.

“We moeten nu over de sterrenmensen praten”, zei hij. “Het is bij de Polynesiërs bekend dat de mensheid oorspronkelijk van de sterren kwam, vanuit een andere dimensie, vanuit daar.”

Makua wees met zijn bruine vinger naar de hemel.

“We kwamen oorspronkelijk vanuit het universum in hemelse kano’s gemaakt van licht. We kwamen als individuele zielen, als zaden van licht, en we werden vergezeld door hoge spirituele bewaarders die de kennis behielden van ons doel, ons lot.”

Hij keek alsof hij terugdreef in ruimte en tijd. Hij was zowel daar als hier terwijl hij sprak.

“Ik herinner op welke plaats ik zat. Ik kwam in de eerste kano, en ik herinner me wie rechts van me zat, links van me, boven me en onder me”. Hij keek me zorgvuldig aan, alsof hij mijn wetenschappelijke antwoord bekeek. Ik glimlachte en maakte een geruststellend gebaar.


“De eerste die kwam was Kanaloa met zijn vrouw Malei’ula.” Makua keek naar zijn wandelstok. “Zoals ik zei, kwamen ze van de ster ‘A’A. Ze kwamen eerder dan wij en vonden deze waterwereld acceptabel. Dus doken ze diep en bleven hier als waterwezens. Ze stuurden hun hemelse kano terug naar A’A’ en de rest van ons volgde toen.” Makua pauzeerde en keek me met een ernstig gezicht aan. “Ze zijn hier nog steeds. Met de dolfijn natie, Kanaloa is de bewaarder van de Ha-the Haloa, de goddelijke levensadem, Kane, de schepper, is de vorm, terwijl Kanaloa de essentie in de vorm is … en dat bevat alles”. 

Ik dacht bij mezelf dat, ja, Kanaloa, de essentie, is het bloed dat we in onze lichamen dragen met exact dezelfde concentratie zout als in de oceaan. Deze kennis onthult dat al het leven uit de zeeën kwam. Het verhaal van de leider was enorm boeiend. Zoals mijn wetenschappelijke collega’s goed weten, ‘A’A is een binaire ster – in werkelijkheid twee sterren, een grote en een kleine en ze draaien om elkaar heen.

Interessant, aan de andere kant van de wereld in Afrika, het Dogon volk dat in Mali leeft, zegt dat ze oorspronkelijk van de ster Sirius kwamen, die ze kennen als een dubbele ster, en dat een goddelijk wezen van die plaats, een visachtige verschijning, ze hierheen bracht en ze de mythische kennis overbracht.


Makua keek me aan, nieuwsgierig wat mijn gedachten waren, en vroeg: “Hoe ver terug in de tijd ben je nu aan het werken in je antropologische onderzoeken van onze vroege voorouders in Ethiopië? “

“Vier tot zes miljoen jaar”, antwoordde ik.

Makua keek voldaan. “Als je teruggaat naar 18½ miljoen jaar, daar vind je me.”

Ik was verrast door zijn antwoord. Makua wist weinig tot niets over de geologie en paleontologie, maar dit was één van mijn expertise gebieden. Ik keek naar Jill terwijl mijn gedachten op hol sloegen.

“18½ miljoen”, zei ik, nog diep in gedachten. “Dat is het tijdperk dat geologen het vroege Mioceen noemen”.

Makua glimlachte en zei niets. Ik wist dat hij op me wachtte, zodat ik het zou begrijpen.

“De wereld was toen nogal anders”, zei ik. “Voor starters was het een serre-wereld, een groot tropisch bos bedekte de Aarde, het strekte zich helemaal tot de poolcirkel in het noordelijk halfrond uit. De dieren waren toen ook nogal anders, maar in de grote bossen van Afrika en Eurazië leefden verspreidde populaties van een vroege mensaap. Ze leken meer op apen, want ze liepen over boomtakken in plaats van er met hun handen onder door te slingeren. Maar tandkundig waren ze apen, en ze hadden geen staart”.

“Maar het feit blijft”, ging ik verder, “dat wij, of liever onze fysieke lichamen, afstammen van die oorspronkelijke voorouderlijke familie die hier 18½ miljoen jaar geleden leefden.

Deze vroege apen, soms de Dryopithecinen genoemd, bleven variëren, en produceerden verschillende soorten gedurende de volgende tien miljoen jaar, en rond zes tot acht miljoen jaar geleden, was er een deling.”


“In één richting, een lange geslachtslijn, die nog steeds redelijk onbekend is door het ontbreken van fossiele bewijzen, ontwikkelde zich tot de Afrikaanse apen als de chimpansees en bonobo’s. In de andere richting kwam onze eigen menselijke familie tevoorschijn in een lange lijn van steeds complexere soorten, beginnend met Ardipithecus, een erg primitieve menselijke vorm, waarvan nu bekend is dat hij ruwweg 4½  tot 6 miljoen jaar geleden leefde, misschien eerder.

Zijn afstammeling Australopithecus leidde tussen 2 en 2½ miljoen jaar geleden tot de Homo soort en produceerde een evolutionaire reeks soorten die een steeds toenemende omvang van onze hersenen laat zien en een steeds verfijndere technologie van stenen gereedschap, totdat ongeveer 200.000 jaar geleden Homo Sapiens in Afrika verscheen.”

Ik pauzeerde mijn gedachten en heroverwoog Makua’s opmerking dat hij, of liever zijn ziel, hier 18½ miljoen jaar geleden aangekomen was als zaad van het licht. Makua pakte het verhaal vanaf hier op.

“Er was een migratie van de sterren – een migratie van zielen die vanuit de kosmos kwam. We werden hier door de hoge bewaarders naar toegebracht, doordat er een levensvorm was die er klaar voor was om ons te ontvangen”, zei Makua, en keek me met goedkeuring aan, “zoals je net hebt bevestigd. We daalden af en namen onze intrek in deze primitieve wezens, waarmee we ons lange verblijf hier op deze wereld begonnen. En nog meer, sommige van de hoge bewaarders die ons hier brachten namen ook intrek als belichaamde wezens, zodat ze hier waren als wij er klaar voor waren om de kennis van ons doel en ons lot te ontvangen.”

“En toen die tijd kwam, gaven ze ons deze kennis; daarna vertrokken de meesten van hen, hun taak volbracht, maar sommigen van de bewaarders zijn nog steeds hier.” Makua pauzeerde om ervoor te zorgen dat ik zijn verhaal volgde. En ik volgde het. Ik was vastgenageld. Ik dacht na over deze bewering – dat de bewaarders ook belichaamd waren. Mijn gedachten keerden terug naar het vroege Mioceen en begon met een scan van de oude fauna die we als fossielen kennen. In wat voor ‘voertuig’ zouden deze hoge bewaarders zich belichamen, vroeg ik me af. Ik beredeneerde dat het een bewuste soort geweest zou moeten zijn, een organisme met een hoge intelligentie en zelfbewustzijn met grote hersenen, en met deze gedacht, had ik het. De walvisachtigen – de dolfijnen en de walvissen!

We weten dat er vroege primitieve walvisachtigen waren die verschenen tijdens het Eoceen, meer dan 50 miljoen jaar geleden, net zoals er tijdens dezelfde periode vroege primaten waren, de halfapen, maar als ik mij het goed herinner, de eerste echte ‘moderne’ walvisachtigen verschenen in het vroege Mioceen tegelijkertijd met de eerste mensapen. Dit suggereert dat de walvissen en de dolfijnen de bewaarders zouden kunnen zijn die ons door het universum begeleidden.

“Je hebt het!” bevestigde de leider, mijn gedachten lezend terwijl is ontstonden in mijn hoofd. … “De walvissen en de dolfijnen zijn de bewaarders die ons hier naar toe brachten als zielen. Maar wat was de kennis die ze ons gaven? Makua dacht na over mijn vraag. “Het geschenk dat de bewaarders ons gaven was de kennis over ons doel en ons lot”, zei hij, “en deze gedeelde wijsheid is tweeledig.” 

“Ten eerste, we werden hierheen gebracht om te genieten – te groeien, en om meer te worden dan we waren in de schoonheid van de natuur in deze prachtige wereld. En ten tweede, dienen we onze goddelijke oorsprong te herinneren door de ervaring van liefde voor elkaar.”
“Dit is het”, vervolgde hij. “Dit is wat we hier dienen te ervaren. Al de rest, al ons werk en verworvenheden, onze successen en mislukkingen, onze families en vrienden, alles wat we doen en worden in ons leven is gewoon de rivier van ervaringen die ons draagt, de achtergrond waar we tegen vechten of waarmee we Nalu gaan (go with the flow) als we onze levenslessen leren en huli (transformeren) in onze eens en toekomstige zelf.”

Bron: boek “The Bowl of Light, Ancestral Wisom from a Hawaiian Shaman” door PhD Hank Wesselman.

Foto van Hale Makua: http://www.circlesoflight.com/blog/bowl-of-light-wesselman/.

Foto van Dolfijn en Walvis: http://thecelestialconvergence.blogspot.nl/2012/02/animal-behavior-rare-spectacle-whales.html

Foto van Geologische Tijdschaal: http://dc37.dawsoncollege.qc.ca/humanities/gabriel/DTP/timeline.htm

Foto van Sirius: http://explow.com/Sirius_star

0 comments:

Een reactie posten