dinsdag 21 april 2009

De Eyptische Kalenders en de Tijdperken van de Sterrenbeelden

Een tijdje geleden heb ik het schitterende boek 'Serpent in the Sky. The High Wisdom of Ancient Egypt', geschreven door John Anthony West gelezen. Helaas is dit boek niet in het Nederlands vertaald, daardoor heb ik een interessant stuk hieronder vertaald.

De cyclussen van de maan en de zon komen zichtbaar (en van de planeten, het zonnestelsel, de vaste sterren en de sterrenbeelden, minder zichtbaar) overeen met gebeurtenissen op aarde. Iedere menselijke gemeenschap die landbouw bedrijft, heeft een soort kalender nodig als men iets vooruit wilt plannen. De gehele Egyptische landbouw was afhankelijk van de jaarlijkse stijging en overstroming van de Nijl, en dit, denken Egyptologen, was de oorspronkelijke inspiratie voor astronomie en de ontwikkeling van de zeer nauwkeurige kalender. Maar waarom zouden de Egyptenaren met drie kalenders tegelijkertijd werken? Om dingen moeilijker te maken voor de boeren?

Egypte werkte volgens een maankalender met afwisselend 29 en 30 dagen in een maand, een bewegende of burgerkalender van 360 dagen plus 5 additionele dagen (waarop de Neters, de goddelijke grondbeginselen, waren geboren) en een kalender van 365¼ dagen, gebaseerd op de heliakische opkomst van de ster Sirius (de eerste kortstondige verschijning net voor zonsopkomst) – exact dezelfde kalender die ons jaar ordent.
Zover ik weet heeft tot nu toe niemand geprobeerd om de relatie tussen deze besturingssystemen van Egypte in detail uitgewerkt.
Maar Schwaller de Lubicz deed een observatie, die uiteindelijk tot een volledig begrip kan leiden. De 25-jarige cyclus komt namelijk overeen met 309 maansomlopen (één maansomloop is de periode tussen een nieuwe maan en de volgende nieuwe maan).

De berekeningen zijn:

25 x 365 = 9.125 dagen en 9.125 / 309 = 29,5307 dagen per maansomloop.

Dit op zich onthult extreem nauwkeurige waarnemingen. Moderne astrologen hebben de maansomloop berekent als 29,53059 dagen, een verschil van slechts ongeveer 1 seconde. Maar Schwaller de Lubicz viel de boeiende overeenkomst van 25 jaar met 309 maan maanden op.

309 = (Φ – 1) * 1000 / 2

en de keuze van het cijfer dat deze cyclus bepaalt kan niet per ongeluk zijn. (Een dubbele cyclus, die de Gulden Snede uitdrukt, omvat 50 jaar; 618 = (Φ – 1) * 1000. Het is interessant dat dit de cyclus is die door de Afrikaanse Dogons is gegeven als de omwenteling van een onzichtbare ster die om Sirius heen draait, waarop de gehele astronomie van de Dogons is gebaseerd.)

Phi, de Gulden Snede, is de functie die het cijfer 5 geometrisch genereert. In Pythagorisch cijfer symbolisme, is 5 het cijfer van creatie en 6 het cijfer van ruimte en tijd. We vinden dit begrip terug in Egyptisch symbolisme, en nu blijkt dat deze cijfers een rol spelen, en zijn misschien wel de bepalende factoren, van het Egyptisch kalendersysteem. Want de diverse cyclussen kunnen teruggebracht worden tot de wisselwerking van 5 en 6 en hun veelvouden.

De maankalender liep in 25-jarige cyclussen van 309 maansomlopen. Het jaar zelf werd op twee manieren berekend. Er was een 365-dagen “burgerjaar”, gelijk aan die van ons. Maar anders dan ons jaar was het niet in maanden van verschillende lengten onderverdeeld. Egypte telde 12 maanden van 30 dagen ieder (meervouden van 6, en van 6 en 5) plus 5 additionele dagen. Op deze additionele dagen waren de Neters (of goddelijke grondbeginselen) geboren.
Zoals we weten bevat het echte jaar geen 365, maar 365¼ dagen. We voegen iedere 4 jaar een extra dag toe, waarmee de kalender synchroon met de zon blijft lopen. Egypte liet echter twee kalenders samenlopen. Het burger- of bewegende jaar, verschoof langzaam in relatie tot het vaste of Sothische jaar (Sirius = Sothis in het Grieks, Sopdit in het Egyptisch). Het burgerjaar, dat iedere 4 jaar een dag achterloopt, duurde 1.461 jaar (365¼ x 4 ) om samen te vallen met het Sothische jaar. De datum van deze samenloop gaf het Egyptische Nieuwjaar aan. Het was een Egyptische gewoonte om gebeurtenissen volgens beide kalenders vast te leggen, waardoor moderne egyptologen de chronologie van Egypte nauwkeurig konden vaststellen, doordat het astronomische samenvallen van de heliakische opkomst van Sirius met de zomerzonnewende (rond 21 juni) binnen smalle grenzen vastgesteld kan worden. Met het Egyptische Nieuwjaar kunnen we de datum van de oprichting van Egypte als een verenigd koninkrijk, sinds het eerste Nieuwjaar, volgens de geschriften vaststellen. Hier ontstaat een complex conflict tussen egyptologen over welke heliakische opkomst van Sirius als deze datum geldt.

Er zijn drie mogelijkheden: 4240 v.Chr., 2780 v.Chr. en 1320 v.Chr. De laatste is uitgesloten, doordat de bekende lijst van de Egyptische dynastie niet in dat tijdsbestek past. De tweede datum valt in wat egyptologen geloven in het hoogtepunt van het piramidetijdperk. De bekende Egyptische geschiedenis past echter ook niet goed bij deze datum, en de piramide teksten van de koningen van de Vijfde Dynastie (rond 2500 v.Chr.) verwijzen herhaaldelijk naar het ‘Nieuwjaar’, dat sterk duidt op het eerdere bestaan van de dubbele kalender en suggereert dat het in 4240 v.Chr. was opgezet. Egyptologen willen deze conclusie niet accepteren door de eenvoudige reden dat ze niet willen geloven dat de Egyptische beschaving al zo oud is. Bovendien is de vaststelling van het Sothische jaar een ingewikkeld astronomisch proces; het omvat de bekwaamheid om van alle sterren in de gehele lucht, één ster te nemen waarmee een jaar van 365¼ dagen vastgesteld kan worden. Dit betekent weer dat er een lang proces van verbeterde observatietechnieken, voor 4240 v.Chr., aan voorafging.

Alleen de Duitser Ludwig Borchardt heeft het astronomische bewijs geaccepteerd en steunde 4240 v.Chr. als de datum voor de oprichting van de Egyptische kalender. Andere egyptologen hebben geprobeerd om de Egyptische chronologie te berekenen met niet-astronomische methoden. Maar de meerderheid erkent het belang van de Sothische kalender. Niet in staat om de implicaties van de oprichting in 4240 v.Chr. in te zien, nemen ze echter 2780 v.Chr. als de datum. Zelfs dit betekent een lange geschiedenis van nauwkeurige astronomische observaties. Liever dan dit te accepteren, zoeken geleerden naar enkele kortzichtige, primitieve methoden waarmee Egypte op de extreem nauwkeurige kalender kwam: per ongeluk of door vallen en opstaan; en in dit stramien zijn alle gebruikelijke en gedegen wetenschappelijke regels geweven. Alles gaat door zolang het toestaan om de geleerden te laten geloven dat wetenschap in Griekenland begon.

Om de lengte van een jaar van 365¼ dagen te bepalen, heb je niet meer nodig dan een nauwkeurige observatie van de lengte van de schaduwen. De tijd die er nodig is tussen de twee kortste (of twee langste) schaduwen van het jaar geven de exacte lengte van het jaar. In een paar jaar is het beeld bevestigd en is het exact. Het is de samenloop van het 365¼ dagen jaar met Sirius, dat een geavanceerde astronomie aangeeft.

Het Egyptische kalendersysteem zou een antwoord zijn op de noodzaak van landbouw. Maar een ruwe maankalender is voor landbouw voldoende. Egypte functioneerde volgens een extreem nauwkeurige drievoudige kalender, en de reden ervoor moet buiten de behoefte van landbouw liggen. Wanneer we weten dat Egypte zijn festivals volgens alle drie de kalenders plande, hebben we één aanwijzing voor hun motieven.
De cyclussen van de maan, zon, Sirius en de vaste sterren werden gescheiden gehouden, doordat hun effecten anders zijn. Festivaldagen waren bedoeld als toewijding om van deze effecten op het juiste moment gebruik te maken. Landbouw en vruchtbaarheidsfestivals volgden de maankalender. Andere volgden het burgerjaar, terwijl weer andere overeenkwamen met de Sothische kalender.

Nadat er een 365¼ dagen jaar was opgesteld, was er niets dat Egypte ervan weerhield om met een schrikkeljaar te komen. Maar dit zou het onmogelijk maken om de datums te volgen die afhankelijk waren van het vaste (Sothische) jaar en de cyclus van 1461 jaar als één Sothisch Nieuwjaar. Dit samen met de benoeming van Sothis als de Grote Verzorger, laat zien dat Egypte dacht in termen van hiërarchie van koninkrijken en van cyclussen. Want als Sothis als verzorger eenvoudig een andere naam was voor het overstromen van de Nijl, waarom dan festivaldagen verschuiven? Oude bronnen stellen vast dat de Egyptenaren Sirius beschouwden als een andere en grotere zon. Moderne astronomie onthult dat Sirius een dubbele ster is, waarbij de ene ster een lage dichtheid heeft en de andere ster is klein en heeft een extreem hoge dichtheid. Schwaller de Lubicz (zie foto) suggereert dat dit hetzelfde lijkt als de kern van een atoom met zijn protonen en neutronen. En het kan te maken hebben met het ‘centrale vuur’ van Pythagoras. Maar zijn juiste kosmische rol, en zijn juiste rol in Egypte, is nog steeds een mysterie. Het is mogelijk dat Egypte wist wat sommige moderne geleerden denken: dat Sirius de grotere zon is, waar onze zon omheen draait.
Als dit zo is, dan dienen we cyclische lange termijn effecten te onderkennen die overeenkomen met de makkelijk te detecteren korte termijn effecten van onze maan- en onze zonnecyclussen. De maan regelt vruchtbaarheid en andere biologische perioden in lagere organismen en diverse weerkundige fenomenen; de zonnecyclus bestuurt de seizoenen, met alles dat dat met zich meebrengt. Dus het Sothische jaar, volgens deze denkwijze, zal ook zijn fasen en seizoenen hebben; en een begrip van hun ‘effecten’ geeft een beschaving de mogelijkheid om maatregelen te nemen om positieve effecten te bevorderen en te versterken als voordeel voor zijn eigen doelen en de ongunstige effecten te minimaliseren. Wij kennen die effecten niet, maar het lijkt erop dat Egypte ze wel kende. Anders is het moeilijk om de interesse voor het Sothische jaar te begrijpen.

Als laatste is er de grote cyclus van de sterrenbeelden (een cyclus met een betekenis voor nu), waarover we meer weten.
De aarde draait niet recht om zijn as: we kunnen het beschouwen als een top die iets naast het centrum draait. Als de lucht gezien wordt als een achtergrond met sterren, dan komt de equinox (het moment waarop de zon recht boven de evenaar staat, rond 21 maart en rond 23 september; ook wel nachtevening genoemd) ieder jaar tegenover een iets verschoven achtergrond van de sterren op. Dit komt door het ‘waggelen’ van de aardas. Astronomen noemen dit de ‘precessie van de equinoxen, en de ontdekking van dit fenomeen wordt algemeen toegeschreven aan de Griekse astronoom Hipparchus in de tweede eeuw v.Chr. Natuurlijk, zoals met alle astronomische fenomenen, is er geen effectief belang aan verbonden.
De Ouden zagen dit anders. Het duurt ongeveer 2160 jaar voor de equinox om zich door één teken te verplaatsen. Dus duurt het ongeveer 25.920 jaar om door alle sterrenbeelden te gaan. Deze cyclus wordt het Grote, of Platonisch, Jaar genoemd. En het is de precessie van de equinox door de sterrenbeelden die de verschillende tijdperken aangeven: nu Vissen, dat ongeveer in 140 na Chr. Begon, Ram begon rond 2000 v.Chr., Stier net voor 4000 v.Chr. en Tweelingen rond 6000 v.Chr. en zo verder, met Waterman dat binnenkort begint.

Hoewel oude bronnen bevestigen dat de precessie van de equinox bekend was in Egypte, hebben moderne geleerden geen direct bewijs gevonden – ofschoon, het hun voorkeur is om alles ‘wetenschappelijk’ aan de Grieken toe te schrijven, hebben ze niet erg hard gezocht.
Het is geaccepteerd dat de Egyptenaren de hemel in 36 segmenten van ieder 10 graden verdeelden, die diaken worden genoemd, en dat deze diaken in verband stonden met de 10-dagen perioden in het 360-dagen burgerjaar. Maar de verdeling van de hemel in sterrenbeelden, de uitvinding van de tekens van de Dierenriem en het toewijzen van betekenis aan de tekens, wordt beschouwd als een Griekse prestatie; in dit geval een misplaatste waarin de anders voorzichtige en rationele Grieken een geheel Chaldees bijgeloof slikten en hun eigen levendige astronomische gedachten toepasten om het tot een systeem te ontwikkelen, ofschoon verkeerd, dat niettemin samenhangend was.
Het is waar dat er geen Dierenriem in Egypte verscheen, totdat het onder Griekse heerschappij viel, noch is er geschreven bewijs dat Egypte de sterrenbeelden namen gaf, of dachten dat ze belangrijk waren. Maar door het verloop van Egyptisch symbolisme te bestuderen, vond Schwaller de Lubicz bewijs dat vanaf de vroegste dynastieën, de precessie door de Dierenriem het verloop van het Egyptische artistieke en architecturale beleid bepaalde.

De vereniging van Boven- en Beneden Egypte wordt als een pure politieke zaak gezien. Maar de datum, rond 4240 v.Chr., valt samen met de vaststelling van het Sothische jaar rond die tijd, en markeert ook de precessionele uitgang uit Tweelingen en in Stier. Hoewel er weinig over het voor-dynastieke Egypte bekend is, ligt er onmiskenbaar de nadruk op tweevoudigheid, op de gescheiden koninkrijken Boven- en Beneden Egypte, op de heerschappij van de tweelingen, Shu en Tefnut. De tempels die zijn gevonden leggen de nadruk op deze vervulling van het tweeledige en hebben twee ingangen. Als toevoeging, de hoofdsteden van zowel Boven- en Beneden Egypte waren tweeledige steden: Dep/Pe en Nekhem/Nekhed.

De samensmelting van Egypte vond plaats onder de legendarische koning Menes (zijn Griekse naam). Geschiedkundigen beschouwen dit als een gebeurtenis met een pure politieke betekenis. Er is geen twijfel dat er politieke gebeurtenissen plaatsvonden, maar tegelijkertijd begon er een nieuw tijdperk van kunst en architectuur. Hoewel de vraag van chronologie complex is, zelfs zonder Schwaller de Lubicz zijn precessie theorie, zijn er veel redenen om te kiezen voor 4240 v.Chr. als datum waarop de Eerste Dynastie als het nieuwe verenigde Egypte werd opgericht.
Nu verandert de nadruk dramatisch; het symbolisme van Mentu (zie foto), de stier, wordt de meest opvallende eigenschap van Egyptische kunst; architectuur wordt monolithisch, en is uitgevoerd op een schaal die nooit gelijkwaardig was gedurende de geschiedenis en uitgevoerd met een finesse die nooit is overtroffen.

Het Oude Koninkrijk Egypte straalt een soort gigantische kalme zekerheid uit. Het weinige dat er over andere beschavingen uit het Stier-tijdperk bekend is, suggereert dat ze deze kwaliteiten deelden. Het is mogelijk dat de verering van de koe in India ook uit deze periode stamt. De parallelle beschaving van Kreta was ook gewijd aan de stier. En terwijl de zaak niet met rust gelaten kan worden, dat acceptabel is voor de sceptici, komt het astrologische gedrag van het teken van de Stier (vruchtbaarheid, vast, aarde, en beheerst door Venus) keurig overeen met het Oude Koninkrijk Egypte.
In feite komen de Ram- en Vissentijdperken ook overeen met de kenmerken van hun tekens, en er zijn al aanwijzingen dat de wereld richting vormen beweegt, belangen en gedrag, dat hoort bij Waterman (dit kan grotendeels opbouwend of grotendeels afbrekend zijn, maar het karakter het opbouwende en afbrekende zal Watermanachtig zijn, en binnen de grenzen vallen die overzien kunnen worden).

De gebruiken waarvoor Egypte haar symbolen toepaste waren complex en steeds veranderend. Net zoals de dag in uren was verdeeld (die niet ‘vast’ waren, maar met de seizoenen veranderden), waarvan ieder zijn eigen invloed had, net zoals de maand was verdeeld in dagen en het jaar in seizoenen, zo was ook de precessionele ‘maand’ geen constante. In de kern van de filosofie van Egypte was alleen de Oorspronkelijke Scheuring onveranderlijk; al het andere bewoog, veranderde, stroomde… en Schwaller de Lubicz vond, in het Stierlijke symbolisme dat gedurende tweeduizend jaar heerste, duidelijke veranderingen. In beelden en reliëfs van vroege dynastieën, op een moment dat de kracht van de stier de overheersende invloed was, werd de nadruk op de kracht van de nek en de schouders gelegd (focus op de kracht van de stier).
Veel van de koningen van het Oude Koninkrijk namen Mentu, de stier, in hun namen op, en de periode van Mentu eindigde met Mentuhotep I t/m V. In de Tempel van Mentu, die gewijd is aan Mentuhotep II, is de koning als een oude man afgebeeld. De naam hotep wordt over het algemeen vertaald als ‘vrede’, maar in het licht van de interpretatie van Schwaller de Lubicz is de betekenis veel dieper, want htp is het omgekeerde van Ptah, schepper van vorm, en refereert naar ‘realisatie van (het werk van) Ptah’. Mentuhotep betekent ‘realisatie van (het werk van) Mentu’, dat in dit geval symbolisch correct lijkt, maar historisch gezien meer wishful thinking is, doordat het beschikbare bewijs suggereert dat het Oude Koninkrijk in een trage gang uiteen viel tijdens de Mentuhoteps van de Elfde Dynastie.

Als de uitleg van Schwaller de Lubicz correct is, dan vond er een drastische wijziging plaats rond 2100 v.Chr., als de equinox zich in Ram verplaatste, en dat is precies wat de geschriften onthullen. Mentu de stier verdwijnt en wordt vervangen door de ram Amon. Het karakter van de architectuur verliest zijn monolithische eenvoud. De farao’s nemen Amon in hun naam op: Amenhotep, Amenophis, Tutankhamen. Egyptologen wijzen de val van Mentu en de opkomst van Amon toe aan een denkbeeldige priesterlijk onenigheid, waarbij de priesters van Amon wonnen. Er is echter geen enkel bewijs dat deze theorie ondersteund. Het bewijs laat een verandering van symbolisme zien, van tweevoudigheid onder Tweelingen, naar de stier en vervolgens naar de ram. Deze veranderingen vallen samen met de datums van de astronomische precessie.

Verdere bevestiging dat de Egyptenaren kennis van precessie hadden was door Schwaller de Lubicz gevonden na een gedetailleerde studie van de bekende Dierenriem van de Tempel van Denderah. Deze tempel was door de Ptolemaeën in de eerste eeuw voor Christus gebouwd, bovenop een oudere tempel. De hiërogliefen geven aan dat het was gebouwd ‘volgens het plan dat neer werd gelegd in de tijd van de kameraden van Horus’ – dus voor het begin van de Egyptische dynastieën. Egyptologen beschouwen deze tekst als rituele beeldspraak, met als bedoeling om eerbied voor de traditie van het verleden uit te drukken.
De Dierenriem van Denderah geeft de intrede van de equinox in Vissen aan. Tegelijkertijd trekt de oriëntatie en zijn symbolen aandacht voor precessionele doorgang van de voorgaande twee tijdperken van Ram en Stier.

Recent suggereerde een Franse Egyptoloog, Paul Barguet, dat 12 uur van een dag en 12 uur van een nacht kunnen overeenkomen met de tekens van de Dierenriem. Hoewel dit een kleine tegemoetkoming lijkt, betekent dit in wetenschappelijke termen een belangrijke voorwaarts. Want het is onmogelijk om een verband tussen de uren en de tekens van de Dierenriem te erkennen, zonder het bestaan van de Dierenriem, dat op zijn beurt kennis van precessie en daardoor van hoge astronomie, dat Schwaller de Lubicz en anderen als zo lang tevergeefs ondersteunen.

Volgens Schwaller de Lubicz was Egyptische astronomie een verfijnde en geperfectioneerde wetenschap. Deze astrologische betekenissen vonden hun weg in de Egyptische taal, in het symbolisme, in afmetingen en verhoudingen van hun architectuur en in hun medicijnen (medische papyrussen geven vaak specifieke tijden waarop specifieke medicijnen genomen dienen te worden of specifieke ziektes behandeld dienen te worden).

Schwaller de Lubicz noemt ook een verder gebruik waarvoor Egypte haar astronomie toepaste. Als dit ooit geaccepteerd wordt, dan zal dit idee een enorm en belangrijk studiegebied openen.
Het is algemeen bekend dat Egypte eeuwig verbonden was met het afbreken van haar oude tempels en het opbouwen van nieuwe, vaak op de plek van de oude. Dit wordt algemeen toegekend aan het ziekelijke egoïsme van de farao’s. Maar Schwaller de Lubicz zegt dat tempels over het algemeen niet werden vernietigd, maar zorgvuldig en weloverwogen werden gedemonteerd als hun symbolische betekenis ten einde was. De nieuwe tempel werd dan gebouwd en gewijd aan de Neter die door de veranderlijke tijdscyclussen aan invloed toenam. Deze tempels waren niet ontworpen om eeuwig mee te gaan, maar slechts zolang een bepaalde cyclus of sterrengroep vereiste.

In andere woorden, het was de Egyptische astronomie, uitgelegd volgens zijn astrologische belang, dat de gehele richting van kunst en architectuur bepaalde. Praktisch betekent dit dat de wijsgeren van Egypte welbewust en kundig de ambiance en atmosfeer van een gehele beschaving in harmonie met de kosmische wetten organiseerden. In principe zou het mogelijk zijn om met behulp van een studie van de monumenten, hun datums, opstelling, wijding, symbolisme, afmetingen, enz. iets van hun astronomische kennis te achterhalen. Want dit kan het best zijn, dat achter de boeiende maar hopeloos gebrekkige verzameling van kennis ligt, waarmee astrologen vandaag de dag werken.


Zie ook een eerdere blog van mij over de Sfinx uit het boek van John Anthony West: http://mikegeubel.blogspot.com/2009/01/sfinx-echo-van-atlantis.html


Bron: 'Serpent in the Sky. The High Wisdom of Ancient Egypt', geschreven door John Anthony West

0 comments:

Een reactie plaatsen